In Griend – eiland voor vogels wordt een speciaal hoofdstuk gewijd aan de wadplaten die Griend omgeven: de Grienderwaard en de Ballastplaat. Het hoofdstuk begint met een wadlooptocht naar Griend, die als volgt wordt beschreven:

Op 17 augustus 1974 is het zover. Na lang wachten en veel voorbereidingen gaan we een wadlooptocht naar Griend maken. Een afstand van ruim 15 kilometer in oost-westelijke richting. Vanaf Griend hebben we de laatste jaren geregeld verkenningstochten gemaakt over de Grienderwaard. Ruim vijf kilometer ten oosten van het eiland hebben we recent enkele stokken gezet bij een lastige passage. Maar de route vanaf de vaste wal is ons onbekend. We zullen het moeten doen met een zelfgemaakte kaart, afgeleid van de topografische zeekaarten en aangevuld met informatie die we van collega-wadlopers hebben gekregen. Slechts enkelen zijn ons voorgegaan op dit traject. Dus veel informatie is er niet. Zal het lukken?

Vanaf de dijk bij Oosterbierum werpen we een eerste blik op het wad. Het ziet er niet aantrekkelijk uit want we zien alleen water. We weten echter dat dit de enige mogelijkheid is. De oostenwind heeft gezorgd voor een relatief lage waterstand en we moeten een uur na hoogwater al starten. Anders lukt het niet. Nu zal het afgaande water er voor zorgen dat we de diepste punten op het juiste moment kunnen passeren.

Onderaan de dijk lopen we het water in. Het wordt dieper en dieper, tot de eerste persoon tot zijn kin in het water loopt. Terug gaan? Nee, toch nog even proberen. Geleidelijk wordt het daarna weer ondieper, maar dan krijgen we last van de modderige bodem waar we tot onze knieën in wegzakken: de beruchte Vlakte van Oosterbierum. Zwijgzaam ploeteren we voort. Uit ervaring weten we dat het wad langs de kust nu eenmaal zacht is en dat het straks beter wordt. Na langdurig ‘modderen’ staat ons de volgende beproeving te wachten: het oversteken van een geul die met rode en zwarte tonnen gemarkeerd is. Doorwaden is geen mogelijkheid. Daarom blazen we het meegenomen rubberbootje op, leggen onze bagage erin en zwemmen naar de overkant. Dan wordt alles gemakkelijker want we bereiken de hogere en zandige delen van de Ballastplaat. Die ligt inmiddels voor een deel droog en we maken goede vorderingen. We hebben nu ook tijd om af en toe even rond te kijken en te genieten van de eerste vogels die van hun rustplaatsen naar het wad vliegen. Een groep roepende wulpen passeert en in de verte landen de eerste strandlopers op het vlakke zand.

Wanneer we vier uur onderweg zijn kijken we opnieuw tegen een eindeloze watervlakte aan. Het is de overgang van de Ballastplaat naar de Grienderwaard, waar slenken vanuit het noorden en zuiden bij elkaar komen. Het is een laaggelegen gebied dat nog steeds volledig onder water staat. Griend en het vasteland zijn allebei ver weg en het lijkt alsof we midden in zee staan en onze ondergang tegemoet lopen. Omkeren is geen mogelijkheid. We moeten door. Even later passeren we een wirwar van kleine geultjes die door het hoge water onzichtbaar zijn. We hebben de rugzakken op ons hoofd en het is meer strompelen dan lopen. Vervolgens waden we langdurig door kniediep water. En dan… zien we een menselijke figuur aan de horizon. Het is de vogelwachter die ons tegemoet loopt. Het is bijna laagwater en de Grienderwaard ligt droog. Rillend van kou en vermoeidheid lopen we gezamenlijk naar het huisje. Warm worden, eten en uitrusten. Morgen moeten we dezelfde weg terug.
Uiteraard wordt in dit hoofdstuk ook uitgebreid aandacht besteed aan het dierlijke leven op de platen, het voorkomen van schelpdieren, wormen, garnalen en krabben, die het voedsel vormen voor de vele steltlopers, meeuwen en eenden rond het eiland. Lees het binnenkort in Griend – eiland voor vogels.